|
|
Projectaanpak - Publicaties
- Planning
Er is nadrukkelijk gekozen voor een
aanpak waarbij de actieve deelname van de betrokken instellingen voorop
staat. Bij de eigen organisatie zal, gefinancierd met de DARE-subsidie,
een persoon vrijgemaakt of aangesteld worden, die specifiek werkt aan de
digitale archivering van de bestanden van de eigen organisatie. Hiervoor
is gekozen vanwege de expertise over de eigen organisatie en de aldaar
gebruikte computertoepassingen, alsmede om het lokale
bewustwordingsproces en de kans op continuering te vergroten. Zo’n
DARE-medewerker is in staat om samen met de wetenschappers van de eigen
organisatie de bestanden te inventariseren, documenteren en archiveren.
Vanuit de centrale projectorganisatie zal aan het locale deelproject
een medewerker met specifieke technische en/of digitale
archiveringskennis worden toegevoegd. Deze "DARE-consultant"
zorgt, naast de samenhang tussen de verschillende instellingen (deelprojecten),
ook voor aansturing en begeleiding van de DARE-medewerkers. De
consultants stellen de noodzakelijke (technische) hulpmiddelen voor het
archiveren en documenteren beschikbaar. Ze bewaken de voortgang van de
deelprojecten en kunnen bij nieuwe problemen deze gemeenschappelijk,
"centraal" oplossen.
Bij elk van de deelnemende instellingen zal de bij het NHDA
ontwikkelde aanpak voor het digitaal archiveren (ADA) worden gevolgd en
de volgende stappen uitgevoerd:
- inventarisatie van de IT-geschiedenis van de betrokken
instelling
- inventarisatie van de afgeronde projecten waarbij digitale
documenten zijn vervaardigd
- registratie van deze projecten (op studieniveau), waarbij
eventueel direct een media conversie (tijdelijke "veiligstelling")
kan worden uitgevoerd van de verzamelde files
- selectie van de projecten om integraal te archiveren. De
representatieve selectie vindt plaats op basis van de relevantie
voor wetenschappelijk hergebruik, de beschikbaarheid en de
bruikbaarheid als "showcase"
- archiveren en documenteren (metadata) van alle relevante
databestanden van de selecteerde projecten
- beschikbaarstelling door middel van een DARE-repository van de
informatie over de geregistreerde projecten (gedocumenteerd via
Dublin Core, OAI) en de files van de gearchiveerde datasets (gedocumenteerd
via DDI/FGDC)
- opstellen van een document met de resultaten en conclusies van
het deelproject, ten behoeve van de locale (bestuurlijke)
continuering
Bij elke instelling zal, in principe gedurende een periode van vier
maanden, zo’n deelproject worden uitgevoerd. Daarvan kan worden
afgeweken als de omvang van de organisatie of de digitale
opgravingdocumentaties daar aanleiding toe geeft.
Bij de volgende instellingen zal een deelproject worden uitgevoerd:
 | Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (inclusief
Betuweroute), contactpersoon: Ronald Wiemer |
 | Faculteit der Archeologie, Universiteit Leiden (inclusief
Archol), contactpersoon: Milco Wansleeben |
 | Amsterdams Archeologisch Centrum, Universiteit van Amsterdam,
contactpersoon: Marjolijn Kok |
 | vakgroep archeologie en prehistorie, Vrije Universiteit
Amsterdam (inclusief SHB en IGBA), contactpersoon: Joris Aarts |
 | Groninger Instituut voor Archeologie, Rijksuniversiteit
Groningen, contactpersoon: Martijn van Leusen |
 | leerstoelgroep Provinciaal-Romeinse Archeologie, Radboud Universiteit
Nijmegen, contactpersoon: Rien Polak |
In wetenschappelijke publicaties wordt door archeologen verslag
gedaan van hun onderzoek. Veel publicaties zijn gebaseerd op de analyse
van digitale bestanden van opgravingen, vondsten, surveys, etc. Deze
publicaties bevatten dan ook belangrijke informatie over de verzamelde
data in de bestanden en de wijze waarop de data is geanalyseerd. Vandaar
dat in het project bij elke dataset titelbeschrijvingen van publicaties
worden opgenomen die gebaseerd zijn op de betreffende dataset. Zowel met
de DDI metadata-standaard als met Dublin Core is het mogelijk deze
publicaties te beschrijven. Het streven is bovendien om zoveel mogelijk
publicaties integraal - als elektronische publicaties - in de
institutionele repositories van de deelnemende instellingen onder te
brengen. Onderzoekers zullen worden gestimuleerd de publicaties zelf in
de eigen institutionele repository onder te brengen. Er zal een link
worden gelegd tussen de bestanden in het archeologische e-depot naar de
publicaties en omgekeerd.
Best practices
Naast de deelprojecten bij de deelnemende instellingen zijn ook de
"best practices" gidsen als aparte deelprojecten gedefinieerd.
De uitgaven van het ADS vormen hiervoor een belangrijk startpunt. Deels
kunnen deze uitgaven worden vertaald, maar deels zullen ze moeten worden
aangevuld of toegespitst op de Nederlandse situatie.
De volgende twee uitgaven zullen worden verzorgd:
 | het hoe en waarom van duurzame archivering van digitale
opgravingsdocumentatie ("aanleveren") |
 | het hergebruik van de beschikbare databestanden uit het e-depot
("hergebruiken") |
De gidsen zullen gedurende de looptijd van het project, in ieder
geval in conceptvorm, al beschikbaar worden gesteld aan de deelnemende
instellingen. Ze bieden de basis waarop de medewerkers bij de lopende en
toekomstige projecten rekening kunnen houden met de eisen voor de lange
termijn archivering.
Businessplan
Tenslotte is er het businessplan voor het e-depot Nederlandse
Archeologie. Aan het eind van het DARE-project moet, in samenhang met de
leden van de stuurcommissie, een adviesrapport zijn opgesteld over de
manier waarop structureel een elektronisch archief voor de Nederlandse
archeologie kan worden vormgegeven.
Voorafgaand aan dit DARE-project loopt er een pilot-project bij de
Faculteit der Archeologie, Universiteit Leiden. In samenwerking met de
Afdeling Geschiedenis van het NIWI-KNAW (NHDA) worden in de periode van
januari tot juni 2004 de eerste ervaringen opgedaan met het duurzaam
archiveren van archeologische databestanden. Het eindresultaat van deze
pilot wordt een evaluatierapport, dat als startnotitie van het
DARE-project kan dienen.
Gedurende de eerste fase, een periode van circa 1 jaar, zullen de
deelprojecten bij de deelnemende instellingen worden uitgevoerd. Elk
deelproject zal circa 4 maanden in beslag nemen en er zullen twee
deelprojecten tegelijkertijd parallel worden uitgevoerd. Gedurende dit
jaar zal ook de tekst van de twee "best practices" gidsen in
concept gestalte krijgen.
Gedurende de tweede fase, een periode van circa een half jaar, wordt
het meeste schrijfwerk voor de gidsen en de blauwdruk gedaan. Pas na
afloop van de deelprojecten kan, op basis van de opgedane ervaring en
kennis, een afgewogen evaluatie en gedegen advies op papier worden gezet.
In deze fase worden de publicaties afgerond en zullen de opmaak en het
drukproces worden begeleid. De adviesrapportage (businessplan) voor een e-depot
Nederlandse Archeologie zal tegen het einde van het project zijn
definitieve inhoud krijgen. Gedurende het project zal daarover
herhaaldelijk overleg worden gevoerd met de betrokken instellingen, de
KNAW en NWO.
|
|